"Het
verhaal van een inpoldering".
Hoofdstuk 1
De fase vanaf ca. 500 v. Chr. tot ca. 1000 n. Chr.
Walcheren en de Noordzee, het is een verhaal van een twee-eenheid. De
Noordzee treedt terug en Walcheren groeit. Een stormvloed
kondigt een nieuw bezoek aan, een bescherming breekt door, een weel ontstaat
en de Noordzee heerst weer in een deel van Walcheren. Dit komen en gaan
duurt vele eeuwen en we verdelen dat tegenwoordig maar in verschillende
periodes, zoals o.a Duinkerken II, IIIa en
IIIb en Oud-, Middel- en Nieuwland, alhoewel de laatste tijd deze periodes
niet meer zo strak gezien worden. In Duizend
jaar Walcheren schrijft Peter Henderikx een interessant artikel
over de laatste ontwikkelingen op dat gebied.
Voor ons verhaal zijn in dat tijdsbestek van ca 500 v.Chr.tot ca. 900
n.Chr de volgende periodes van belang:
Dat is allereerst de periode van ca. 500 v.Chr. tot ca.
900 n.Chr.
In die periode werden in de dunne kleilaag, die op de daaronder liggende
veenlaag was afgezet, door overstromingen geulen uitgeslepen. Deze geulen
werden door de zee opgevuld met zand. Later werden, door inklinking van
het omringende land, deze geulen als ruggen zichtbaar in het land, ruggen
waarop ooit dorpen ontstonden en wegen en dijken werden aangelegd.
Mej.Vlam heeft deze gegevens uitgewerkt in haar proefschrift van 1942
en op de daarbij behorende kaarten. Op onze
veldnamenkaart is de kaart van Vlam
geprojecteerd, zodat zichtbaar wordt, waar het veen wel of niet verdwenen
is.
In "een land zonder dijken" een hoofdstuk in "Campen en Soelenkerke" van
Laurens Priester, wordt een goed overzicht gegeven van de effecten van
die overstromingen op het landschap, ook over het tijdperk na het vertrek
der Romeinen tot daar waar ons relaas over de bedijkingen begint.
In de webpagina : De fase van ca. 500
v. chr. tot ca 1000 n. chr. worden over deze periode meer gegevens
vermeld.
In de tweede periode, ruwweg begrensd tussen ca. 900 tot 1014,
ontstaat rond 900 n.Chr. op Walcheren een kustwal
die vanuit Duno, met een tweetal onderbrekingen verder naar het oosten
loopt. Deze kustwal zorgde er voor, dat een aantal uit het westen en zuidwesten
komende kreken, werden afgesloten.
Deze kustwal speelt in de inpolderingsgeschiedenis een belangrijke rol.
De stormvloeden van 1014 en 1134
De stormvloed van 28 september 1014 is het begin van een periode waarin
de dan aanwezige bevolking zich aktief gaat bezig houden met de bestrijding
van de wateroverlast. Hofsteden waren
al bij voorkeur gebouwd op aangelegde verhogingen, voor het vee werden
op de schorren eveneens verhogingen aangelegd, de stelles. Sommige van
deze stelles of (vlied)bergen werden later voorzien van een verdedigingstoren.
Onlangs kon nog worden vastgesteld, dat er bij de hofstede Duno aan de
Dunoweg in Oostkapelle zo'n vliedberg heeft
gelegen.
Ongetwijfeld zullen in de periode na 1014 ook dammen zijn aangelegd in
die kreken, die door de kustwal niet goed waren afgesloten en waar men
vrij simpel het binnenstromen van het getij kon verhinderen. Van een stelselmatige,
doorlopende bedijking was echter nog geen sprake.
Een nieuwe ramp, de stormvloed van 4 october 1134, leerde al snel dat
al deze maatregelen niet voldoende waren. Lokale gemeenschappen zorgden
ervoor, meestal onder leiding van de plaatselijke ambachtsheer, dat er
uiteindelijk een ringdijk rond geheel Walcheren tot stand kwam, waarin
een aantal van de na 1014 opgeworpen dijken, werden opgenomen. Voor de
noordkant van Walcheren werd daarbij dankbaar gebruik gemaakt van de eerder
genoemde kustwal. Opvallend is, dat de nog open gebleven Serooskerkse
sprinck pas rond 1200 bij Leeuwendamme,
een stuk zuidelijker dus, werd afgedamd. Een ander groot gat in de kustwal,
lag ten zuidoosten van Oostkapelle. Hier vond de afwatering van de Zoetendaalse
sprinck en van de Schoonoordse sprinck plaats via daar waar later de Middenhofpolder
was, naar de Sluispolder. De dijk, die lag in de Noordweg bij Oostkapelle
ter hoogte van het hotel GreenWhite, (voor de ruilverkaveling Ipenoord
genoemd) zal uiteindelijk het gat wel gedicht hebben. Dat moet een kostbare
klus geweest zijn, zo vlak na 1134.
Het moet in die buurt ooit goed gespookt hebben ! Onder het genot van
een goed diner of een lekker kopje koffie vertelt de eigenaar van GreenWhite
zijn ervaringen over de grondverstoringen op zijn terrein. Er moeten daar
draaikolken van vele meters diep geweest zijn !
De Heemkundige kring Walcheren heeft in de afgelopen jaren een schat
aan gegevens verzameld over oude veldnamen, namen van hofsteden, oude
namen van dijken en wegen en van dat monnikenwerk hebben we dankbaar gebruik
gemaakt. De in die publikaties genoemde gegevens werden verwerkt op de
veldnamenkaart. Het zijn die veldnamenkaarten
van vóór de ruilverkaveling, die in deze website regelmatig
gebruikt worden om detailsituaties toe te lichten. Een goed voorbeeld
daarvan is de kustwal. Duidelijk toont de veldnamenkaart, hoe nog in 1940
te zien was, welke kreken door het ontstaan van de kustwal werden afgedamd.
Gecombineerd met gegevens uit de geomorfologische
kaart van de topografische dienst uit 1986 en de bodemkaart
van Bennema, en dit alles geprojecteerd op die veldnamenkaart, maken het
beeld compleet. Het waarom van de ligging en de looprichting van percelen
op die veldnamenkaarten wordt dan duidelijk.
De verdere inpolderingsgeschiedenis na 1014 kun je ook weer
in twee periodes indelen waarbij duidelijk aangetekend moet worden,
dat de scheidingslijn niet een zwart/wit tijdgrens kan zijn.
In de eerste periode vallen de inpolderingen rond Oostkapelle en
rond Serooskerke/Zanddijk
In de tweede periode, vanaf ongeveer 1250, vallen de inpolderingen,
die de abdis van Rijnsburg liet doen en in die periode zijn er eveneens
de inpolderingen rond Vrouwepolder,
die de heren van Borsele "uut de soute zee" bedijkten, zoals er in een
akte staat.
De eerste periode is de periode, waarin de lokale ambachtsheren hier en
daar een stuk schor inpolderen. Dat waren natuurlijk die schorren, die
met een simpele dijk van zo'n één tot twee meter hoogte,
eenvoudig te veranderen waren in een polder. Financieel gezien was dat
toch desalniettemin een zware opgave voor zo'n ambachtsheer. Zelfs het
aanleggen van een twee meter hoge dijk met kruiwagen en schop in een niet
zo dicht bevolkt ambacht, kostte vele arbeidsuren. Werd dit werk alleen
door de lokale bevolking gedaan of kwam er ook hulp van buiten? Die diende
de ambachtsheer dan in geld te betalen
en dat was schaars.
Wie die ambachtsheren in die periode in Noordwalcheren waren ?
Natuurlijk zijn er een aantal namen bekend, maar de bronnen zijn zeldzaam
en zeer verspreid. Een eenvoudige aanzet voor zo'n ambachtsherenlijst
voor Noordwalcheren wordt hier gegeven, maar vraagt om een enthousiasteling
om die lijst aan te vullen.
Vraag : wie
kan helpen ?
Wat werd er in die eerste periode alzo ingepolderd ?
Nogmaals, de bronnen zijn schaars, maar de gegevens uit de tweede periode
helpen daarbij, want alles wat toen werd ingepolderd, valt buiten de eerste
periode.
Hoofdstuk 2
De
fase van de eerste inpolderingen rond Oostkapelle
Allereerst willen we ingaan op de inpolderingsgeschiedenis
rond Oostkapelle.
Dit betreft het gebied dat begrensd wordt door "de Vroonweg", "de Duinweg",
de weg naar Serooskerke, "de Noordweg" dus, "de Rijnsburgseweg en dan
naar het noorden, langs de grens van de gemeente Oostkapelle en Serooskerke.
In dit gebied ligt ook de pas ontdekte vliedberg bij de hofstede Duno
en het nu verdwenen dorp Rikedale.
Er waren nogal wat onopgeloste zaken in dit gebied, zoals; wat is de functie
van de oude dijk in de Duinweg, wat betekent de weel, vlak bij de nieuwe
kerk aan de Noordweg en lag Oostkapelle aan zee ? In
de inpolderingen.rond
Oostkapelle hebben we die periode verder uitgewerkt en van kaarten
voorzien.
Hoofdstuk 3
De fase van de eerste inpolderingen rond
Serooskerke-Zanddijk
Dit gebied wordt begrensd door de "Oostkapelseweg" vanaf de kruising
met "de Rijnsburgseweg" via "de Wilgenhoekweg", daarna langs "de Gapingseweg"
naar het oosten via Gapinge naar Zanddijk vandaar via de kust van het
Veersemeer en "de Vrouwenpoldersedijk" naar het noordwesten, dan via "de
Liebertsweg" en "de Vrouwenpolderseweg" op naar het zuiden tot aan de
afslag "Boshoekweg" en via deze laatste weg naar het punt waar de "Rijnsburgseweg"
weer "de Oostkapelseweg" bereikt.
De inpolderingsituatie in dit hierboven omschreven gebied is zeer complex,
vooral omdat er zo weinig bronnen zijn. De hierboven omschreven begrenzing
is hoofdzakelijk gekozen omdat het gebied ten noordoosten van de Boshoekweg
voor een belangrijk deel na 1230 door Rijnsburg is ingepolderd of gekocht.
Een verhaal dat echt hout snijdt over de inpolderingen bij Serooskerke
zal een kwestie van lange adem zijn. Er zal een eerste aanzet worden gegeven,
die U vindt als U klikt op
de inpolderingen
rond Serooskerke.
Het zal duidelijk zijn, dat wij voor dit onderwerp alle hulp kunnen
gebruiken die de bezoekers van onze website ons kunnen bieden !
De twee nu volgende periodes kunnen met recht genoemd worden: de periodes
van het grote geld.
Er komen nu nog maar drie inpolderaars aan bod, die financieel sterk genoeg
zijn om deze klus te klaren.
Dat zijn de abdis van de Abdij van Rijnsburg, die de resten van de Zwene
inpolderde en de van Borselens, die de schorren op het noordoostelijke
deel van Walcheren voor hun rekening namen en dat is de abt van het klooster
in Middelburg. Deze laatste voornamelijk ten noorden van de Sluispolder
en bij het hotel Greenwhite
(vroeger Hotel Ipenoord).
En dat "voor hun rekening nemen" is ook letterlijk zo geweest, want dit
gebied heeft in de loop der eeuwen zeer veel schade geleden door stormvloeden,
maar vooral door dijkvallen.
Het herstel van die schade kostte handenvol geld.
Hoofdstuk 4
De fase van de inpolderingen door de abdij van
Rijnsburg
De Vrouwe (Abdis) van het adellijke nonnenklooster van de abdij bij Rijnsburg,
liet het gebied van de oude Zwene inpolderen, het gebied tussen Oostkapelle/Serooskerke
en ten zuiden van het "eiland" Vrouwepolder.
De abdis ontvangt vóór 1199, in ruil voor het grondbezit
dat de abdij bezat rond Aalsmeer, op Walcheren 250
gemet land, gelegen tussen de kerk van Oostkapelle en Westhove.
Het was vruchtbaar land en de graanopbrengst werd vooral gebruikt om rond
Leiden de armen te ondersteunen in bittere tijden en voor armen was dat
een continu situatie. Rijnsburg had een uithof op Walcheren, nonnen hebben
daar nooit gewoond. De activiteiten van de abdij van Rijnsburg op Walcheren
worden konstant tegengewerkt door de
proost int Clooster zoals in de overlopers de abt van de abdij in
Middelburg wordt genoemd. Nadat de abdij van Rijnsburg niet meer onder
de bisschop in Utrecht ressorteerde, maar direct onder de jurisdictie
van de paus kwam, moest deze laatste herhaalde malen de abt in Middelburg
terugfluiten.
Inmiddels had de abdis van de graaf van Holland de concessie voor de inpoldering
van de Zwene ontvangen. Dat gaf opnieuw strubbelingen én met de
proost int Clooster én met de ambachtsheer van Serooskerke-Vrouwenpolder
over waar de grenslijn van die concessie lag.
In de Custinghe van 1291 werden deze
grenzen vastgelegd en het is gelukt om die grenzen te projecteren op een
kaart, waardoor bv. de ligging van het verdwenen dorp Rikedale
kon worden vastgesteld, maar ook de breedte van de oude Zwene duidelijk
werd en de stroomgeul van het vroeg middeleeuwse "Waeleke" gevonden kon
worden.
Al met al een woelige periode, waarop nader wordt ingegaan in de
inpolderingen door Rijnsburg.
Hoofdstuk 5
De fase van de inpolderingen
door de van Borselens rond Vrouwepolder
De tweede inpolderaar, de van Borselens, duiken rond 1240
in Walcheren op, schijnbaar uit het niets. Vermoedelijk kwamen ze uit
Noordholland, maar waarom zij nu een rol gingen spelen op Walcheren is
niet duidelijk. Zij ontvingen veel steun van de Hollandse graven en mogelijk
dat die de van Borselens op Walcheren parachuteerden als trouwe onderdanen
van de grafelijkheid in hun strijd tegen de graven van Vlaanderen. De
van Borselens hadden bezit in Noordwalcheren, waaronder de schorren rond
Vrouwepolder, droegen die in 1282 103
op aan de graaf, en ontvingen ze daarna weer terug van de graaf. Een wat
merkwaardige overdracht, want de schorren zouden gekocht zijn en waren
dus geen kwaad leen.
Het is gelukt om meer inzicht te krijgen voor wat betreft de datums waarop
de diverse polders werden drooggelegd.
Als U op de blauwe tekst De
inpolderingen rond Vrouwepolder klikt, ziet u het resultaat.
Hoofdstuk 6
De afsluiting aan de zeekant bij Oostkapelle
De laatste periode in de inpolderingsgeschiedenis van Noordwalcheren
is de afsluiting van de Zwene.
De naam Zwene of Zwin (zoals het begrip ook terug te vinden is bij b.v.
Brugge) zou betekenen een geul in een buitendijks gebied, maar ook een
laagte in een strandgebied
Het gedeelte van de Zwene, dat naar het oosten liep (het gebied van de
huidige Goedepolder), heette rond 1290 het "Waeleke". Dit Waeleke is tussen
1293 en 1318 vermoedelijk eerst afgesloten met een bescheiden dijkje,
een kwart mijl van de huidige polderdijk en later door de 500 roe lange
zeedijk van de Oosternieuwlandpolder. Aan het onderhoud van die dijk (de
Kijfdijk), vanwege de vele processen) moest
de watering van de Vijfambachten mee betalen, ook na de dijkdoorbraken
van 1392.
De afsluiting aan de Noordwestzijde is aanzienlijk ingewikkelder. Op kaarten
uit het einde van de zestiende eeuw zijn er nog resten van de verbinding
van de Zwene met de zee te zien. Ook in het landschap ten noorden van
de Kon.Emmaweg en in haar verlengde, de Vroonweg, zijn nog volop sporen
van de oude Zwene te vinden.
In de afsluiting van
de Zwene vindt U tzt een uitgebreid verslag met vele nieuwe feiten,
maar ook met de nodige raadsels, die nog niet zijn opgelost !
Een boeiende geschiedenis, die inpolderingsperiode van Noordwalcheren,
vooral ook, omdat er in het veld nog zo veel van te zien is. Van tijd
tot tijd zijn er excursies naar dit gebied, niet volgens een vast schema,
dus het is zaak de aankondigingen in de pers te lezen. Maar misschien
is één van de vele verenigingen op Walcheren wel bereid
om er een gestructureerd gebeuren van te maken. Vooral in de zomer kan
dit voor de toeristen een interessante attractie zijn !
In bovenstaande homepage wordt in het kort een overzicht gegeven van
de inpoldering van Noordwalcheren. In de achterliggende webpagina's wordt
dieper op de materie ingegaan.
Veel is duidelijk geworden, toch zijn een aantal zaken nog steeds duister,
maar met Uw hulp kunnen mogelijk een aantal open plekken nog worden ingevuld.
U kunt gebruik maken van ons e-mailadres, maar U kunt ons ook schrijven
U vindt ons onder de knoppen links onder Reageren !
______________________________________________________________________________
MET DANK AAN
Bij de opzet van deze website is gebruik gemaakt van een groot aantal
bronnen. Niet alleen zijn gegevens gebruikt uit het Zeeuws archief, het
rijksarchief in Utrecht en in den Haag, het archief van het Waterschap
van de Zeeuwse eilanden, het archief van de Duitse Heeren, het archief
van de Stad Veere, nu in het Zeeuws archief, maar ook veel kaartmateriaal
zoals de grondkaarten van Bennema, de Geomorfologischekaart, de zeer interessante
veldnamenkaarten van de Heemkundige Kring Walcheren enz. Zeer belangrijk
is ook de publikatie "de bezittingen van de abdij van Rijnsburg in Zeeland"
door mevr.M.P.Neuteboom-Dieleman, uitgegeven door de Nederlandse Genealogische
Vereniging, afd.Zeeland. De daarin verzamelde gegevens zijn van groot
belang geweest voor ons onderzoek.
Een opgave van alle bronnen, gebruikt in deze website, vindt U onder
de knop Bronnen
Maar dat zijn bronnen, dat is statisch, soms moeilijk begrijpbaar. En
bronnen praten niet, reageren niet, dat doen alleen mensen. En het is
juist aan mensen te danken, dat deze website tot stand gekomen is. Aan
Peter Henderikx, prof.Middeleeuwse geschiedenis, Universiteit Amsterdam
en Peter Blom, de vroegere archivaris van het Stadsarchief van Veere,
die met hun kritische opmerkingen de kwaliteit van deze website verhoogden
en ons intoomden als de theorieën wat al te wild werden. Aan Lex
Balster uit Soest zonder wiens technische hulp de website er niet was
gekomen, aan Fop Smit, archivaris van de Zeeuwse eilanden, die bereid
was stukken uit zijn archief naar het stadsarchief van Naarden te zenden,
aan medewerkers van dat stadsarchief, die hielpen bij transcripties, aan
de medewerkers van het Zeeuws archief in Middelburg, die welkome adviezen
gaven over bronnen, die we absoluut moesten inzien, aan Jaap Zondervan
want die weet alles over de van Borselens op Walcheren, aan Anton van
Haperen en zijn 3 collegaas, die met hun grondboor waardevol onderzoek
deden in het afsluitingsgebied van de Zwene en aan vele, vele anderen,
die ons hielpen met deze website.
Voor verder gegevesn klik op een van de knoppen links, bv. op de knop
inhoud of op de knop handleiding
I.P.Back
|