DE INPOLDERING VAN NOORDWALCHEREN

DE AMBACHTSHEER

De ambachtelijke organisatie in Zeeland wijkt nogal af van de rest van Nederland. Een oorzaak daarvan zou kunnen zijn, dat de ligging van Zeeland op de grens van de machtsgebieden van Vlaanderen en Holland de ambachtsheren in Zeeland de mogelijkheid gaven beide machtsblokken tegen elkaar uit te spelen. Oorspronkelijk zal de instelling van ambachtsheerlijkheden in opzet in Vlaanderen, Zeeland en Holland wel gelijk zijn geweest en in aanleg dateren uit de tiende eeuw, toen Zeeland nog onder het onmiddellijke gezag van de koning stonden

Aanvankelijk lag de rechtelijke taak van de ambachtsheren in het politionele vlak, sinds het einde van de twaalfde eeuw ten gevolgen van de instelling van de ambachtsvierscharen, werden de ambachtsheren ook betrokken bij de rechtspraak, omdat de lokale schepenbanken werden ingesteld. Ambachten werden bij het overlijden van de ambachtsheer opgedeeld tussen de erfgenamen, waardoor een geweldige versnippering ontstond. Het instellen van lokale schepenbanken, die de rechtspraak behartigden, zorgden ervoor, dat er een parochiale samenhang ontstond. De macht van de ambachtsheren nam daardoor toe, omdat zij er in slaagden de grafelijke schepenen te vervangen door ambachtsheerlijke schepenen. Sedert de dertiende eeuw traden er ook ambachtsheerlijke schouten op. Deze schouten kunnen gezien worden als plaatsvervanger van de ambachtsheer.

De ambachtsheren zijn in de dertiende eeuw publiekrechtelijke functionarissen, dragers van overheidsgezag, maar zij gedragen zich als als landsheren in miniatuur, zoals prof. Dekker dat zo plastisch omschrijft in zijn standaardwerk "Zuidbeveland". De Zeeuwse ambachtsheren bezaten rechten op hun onedele ambachtsingezetenen, waardoor deze zich in hun persoonlijke vrijheid beperkt zagen. Deze ambachtsingezetenen waren verplicht tot militaire dienst, herendienst met paard en wagen, helpen de boete op te brengen, die de ambachtsheer verschuldigd was aan de graaf, waren aansprakelijk voor zijn schulden en konden zich niet zonder zijn toestemming in zijn ambacht vestigen. Bovendien had de ambachtsheer het voogdijschap over zijn onedele ambachtsingezetenen.

Naast bovengenoemde rechtelijke en militaire functie had de ambachtsheer ook een fiscale functie, hij was inner van het grafelijke schot. Het schot was een regelmatige belasting, geen personele maar een grondbelasting. Niet dus de ge-erfden, dat zijn de betalers, maar de inners, dat zijn de ambachtsheren, waren aansprakelijk voor de opbrengst. Mogelijk vond het schot zijn oorsprong in een oude koningscijns. De ambachtsheren behoefden niet van al hun gronden schot te betalen. Sommige stukken, de vronen waren schotvrij en mogelijk kreeg in het begin elke ambachtsheer zijn eigen vrone waarop zijn woning stond of gebouwd kon worden. In de tweede helft van de dertiende eeuw ontstonden ook de "vrije" gebieden. Dit hield in, dat de ambachtsheren een (meestal groot) deel van het schot, dat de ge-erfden opbrachten, niet behoefden af te dragen aan het grafelijke kantoor. Het "vrije" heeft in grote mate het economische belang van de ambachten tussen de dertiende en de zestiende eeuw bepaald. Een andere groep schotvrije gronden waren de "haaimannen" Over het ontstaan van de naam en de functie van deze groep is veel geschreven en is een duidelijk controversieel onderwerp. Erg duidelijk is dit allemaal niet.
Een derde categorie van schotvrije landen was het leenland. Het waren gronden die de graaf in zijn bezit had en door hem in leen werden uitgegeven. Een vierde categorie schotvrije landen waren van de geprivileerden. Privileges van blijvende vrijdom verkregen in de loop der tijden de meeste abdijen en kloosters, maar zelden voor hun gehele gebied

Het schot werd geheven door de ambachtsheer, die het afdroegen aan de grafelijke rentmeester. Deze hielden de afdracht bij op rollen, die bewaard werden op het grafelijke steen, dit waren de steenrollen. De ambachtsheer inde ook het geschot van de de edele ge-erfden in zijn ambacht, alhoewel het ook voorkwam, dat een edele ge-erfde het schot direct aan de rentmeester afdroeg.

De standaardmaat voor de heffing, de hevene, was 200 gemet, maar in de praktijk bleek dit al snel door de verder gaande splitsing van de ambachten, een onhandige methode te zijn en vervangen door een heffing per gemet.
Het op de steenrol genoteerde aantal gemet werd op twee manieren opgetekend.
Allereerst is daar het ambacht "bi der breede", dat is het aantal gemet per ambachtsheer zonder het overambacht. Het overambacht is in cultuur gebracht onland, zoals " vele naectye, bloote ende ongescorde oft ongegorsde velden, slacken, poelen ende ander onland, daer nyet groeyen en can ten eersten"
Het ambacht "bi der brede" bestond uit twee delen, het ambacht "steenschietens" en het "vrije" Op de steenrol stond met een kleiner gemetsgetal, het ambacht "steenschietens" vermeld. Steenschietens betekent hier datgene waarover men op het grafelijke "steen" betaalde.
Al met al is deze gehele materie vrij ingewikkeld. Wie er meer over wil weten, in het boek van Prof. C. Dekker, "Zuidbeveland" 086 wordt veel dieper op de zaak ingegaan.

De ambachtsheer had ook een taak in de landsake, waarvan waterstaatzaken een belangrijk onderdeel vormden. Zij verrichtten in eigen persoon of door middel van hun schout, de schouw van dijken, watergangen, wegen en andere kunstwerken om het onderhoud, waartoe de ingelanden verplicht waren, te controleren. De schouw verrichtte de ambachtsheer of zijn schout tezamen met de schepenen van het vierschaarambacht.
Al vrij snel ontstonden er samenwerkingsverbanden van vierschaarambachten, mede in verband met het probleem van de afwatering. De Noordwatering, ook wel genoemd de Vijfambachten wordt al in 1273 genoemd, maar moet veel ouder zijn. Vanaf het einde van de dertiende eeuw, begin veertiende eeuw werd op bijna geheel Walcheren een grafelijke en bovenambachtelijk dijkbestuur ingesteld en wel de Staten van Walcheren.
De stad Middelburg werd in 1355 tijdelijk belast met het toezicht op de dijkage van Walcheren, later kwam de feitelijke leiding in handen van de magistraat van Middelburg, de abt van Middelburg, de heer van Veere en de grafelijke rentmeester.
De inkomsten bestonden uit wateringgeld en dijkgeld, die per gemet werden geheven.
Het wateringgeld (of sluisgeld) werd opgebracht ter bekostiging van de werken die verband hielden met de waterlozing.
Het dijkgeld werd opgebracht voor buitengewone dijkwerken, die niet door de dijkplichtigen persoonlijk konden worden uitgevoerd, het had tot eind vijftiende eeuw een incidenteel karakter. Voor het vaststelling van de heffing per gemet, werd een soort kadaster ingevoerd. Wie de eigenaar en de pachter van een gemet was, werd genoteerd in een overloper.

 

Website pagina nog verder uitwerken !

Bronnen.
Elk sine eijgen dijk, HOORDE DAT NOG tot de taak van de AMBACHTSHEER ?
Zie Dekker blz. 595 e.v.
Nog iets over het vierschaarambacht
Ook nazien 1000 jaar Walcheren