DE INPOLDERING VAN NOORDWALCHEREN

Deze kaart is samengesteld uit gegevens van de veldnamenkaart gecombineerd met een vijftal zeventiende eeuwse parochieblockkaarten. Wat hedendaagse gegevens zorgen voor een goede oriëntatie.

Custinge VAN 1291.
(een verslag van een landopmeting)

OORKONDENBOEK van Holland en Zeeland, akte 2464 van 23 februari 1291

De Custinge van 1291 lijkt op het eerste gezicht een moeilijk hanteerbaar verhaal. In het verleden is er verschillende keren door anderen geprobeerd een zinvolle uitleg hieraan te geven.
Allereerst is het goed om vast te stellen waarom die Custinge, een oude naam voor een landopmeting, gemaakt werd.
In de noordkop van Walcheren was rond 1291 nog een gedeelte van de oude Zwene niet ingepolderd. De abdij van Rijnsburg had het recht dit gebied in te polderen, waarbij gelijktijdig dit gebied in haar ambacht kwam.
Nadat de Zwene was ingepolderd, werd het het ambacht van de Twaalfhonderd Gemeten.

Wat echter niet vast stond, waren de grenzen in dit nog open watergebied van de Zwene. En met grenzen wordt dan voornamelijk bedoeld ;
a. de parochiegrenzen van Serooskerke, Gapinge, Vrouwepolder en Oostkapelle
b. de grens tussen de Oostwatering en de Vijfambachten, dit vooral ivm. de dijkkosten.

Onderling kwamen de plaatselijke machthebbers, de Abt van Middelburg, de heer van Borsele en de abdis van Rijnsburg, er niet uit.
De graaf van Holland Floris V, zou de knoop moeten doorhakken. Deze gaf broeder Willem, provoost van het klooster in Middelburg, opdracht ervoor te zorgen dat het restant van de Zwene werd ingemeten. Willem gaf dit weer uit handen aan een commissie, zoals wij dat heden ook zouden doen. Die schakelden weer een landmeter in, die het praktische werk mocht uitvoeren.

Toen de landmeter rond was met die opdracht werd het resultaat aan Broeder Willem ter hand gesteld, die vlot daarna op het kerkhof van Bricdamme een vergadering belegde met de commissie en mogelijk andere belanghebbenden. Gezamelijk kwamen ze tot de conclusie, dat die Custinge rechtsgeldig was, iets wat je kennelijk besluit op een kerkhof, want dat is gewijde grond.

De in die Custinge vastgestelde grenzen waren, na de inpoldering van de rest van de Zwene na 1334, de grenzen die eeuwenlang golden en op 17e en 18e eeuwse kaarten zichtbaar werden (Christoffel Bernards, Hattinga, enz).

De landmeters werkten vanuit één vast punt, de westpunt van de Westpolder. Vandaar uit werden vanaf de kust van de Zwene, die de landmeter verdeeld had in de onderstaande segmenten, de opmetingen gedaan.
a. de afstand tussen de Westpolderpunt en de paal “opt zan voer Rikedale”
. dat is dus de monding van de Zwene.
b. de afstand van de Westpolder en de “paal voer Rikedale” naar de zee.
c. Op Zwene’s zuidoever naar “de diepe” , dat is de Waal, maar kan ook verstaan worden als "water" of als schorren.
d. Uitgaande van het vaste meetpunt van de Westpolder, wordt aangegeven welke 4 hoofdmeetpunten, aangevuld met wat andere meetpunten, er nog zijn voor de rest van de kust van de Zwene. Deze 4 hoofdpunten liggen in de Boempolder. Die andere meetpunten liggen ten oosten en ten zuiden van de Boempolder.
Dit kustgedeelte loopt via de latere Kon.Emmaweg naar het oosten, steekt het Waleke over (de latere Goedepolder) dan naar het westen via de Boempolder, dan weer naar het zuiden langs de Waal (het Walencotje) tot op ’t geschei (de grens) tussen Oostkapelle en Serooskerke bij de hof van Rijnsburg, waar Rijnsburg’s 16 gemet uit de schenking van 1199 ligt. Het eerste gedeelte van deze meting vertrekt vanuit de Boempolder, waarover later in het Custinge verslag meer.

Er moet in het oog gehouden worden, dat de landmeesters zoveel mogelijk gebruik maakten van markante punten in het terrein, zoals daar ziin ; de westpunt van de Westpolder, het “diepe”, het geschei hierboven genoemd, De Boempolder, het land van de Duitse heren, waarvan de ligging in latere overlopers nog gedeeltelijk valt terug te vinden enz.
Opmerkelijk is bv. ook de plaatsbepaling van het “diepe”
Zowel aan de noordkant als aan de zuidkant van de Zwene had men twee meetpunten naar het “diepe”. Verbond je die twee punten dan kon je gemakkelijk de loop van het “diepe”, ons inziens de Waal, die al eerder genoemd wordt in dit gebied, vaststellen. En dat is dan gelijktijdig de grens tussen de gemeente Oostkapelle en Serooskerke. (tot 1780)
Als je meetpunten in de Custinge wilt plaatsen op een kaart uit de twintigste eeuw, in dit geval de veldnamenkaart, dan mag je de ligging van die meetpunten, best mede afleiden vanuit die bekende grenzen.
In de samenvatting aan het eind van het verhaal over de Custinge, komen we
hierop nog nader terug.
.
Op dat punt was men dan weer terug bij segment C en is de opname compleet.
Het gebied van de Custinge is in bovenstaande kaart in geel aangegeven.

Nu volgt een transcriptie van de originele tekst van de Custinge. Terwille van de leesbaarheid hebben we deze akte volgens onze inzichten, ingedeeld in blokken.

De akte luidt:
Wi Florens, grave van Hollant make cont alle den ghenen die desen brief sullen sien of horen lesen dat broder Willem provest van den cloestre in Myddelborch hevet ontvanghen ene custinghe also alse wi hem bevalen, van broder Heine van Rynsborch, van Gherolf den Neve, van Willem van Domburg, van Clais Hughen sone, van Janne Heipen sone ende van Harnout Moins sone, alse van den utdike die leghet tuschen Tseren Wfarts polre ende Duenhovede. Dese custinghe was ghedaen te Bricdamme opt kerchof op den dinxdach na derthiendach, ende bi haren ede hielsiit also alse hier binnen ghermerkeden pale ghescreven es :

Blok 10
Van der westerste pale (11) opt zan voer Rikedale CCCC roden (A) ieghens die zee ende op den hoke van den Westpolre (12) (iegens die zee) CCCC roden (B),
die brede tusschen dese tve pale es CCC roden (C), littel min of littel meer.

Blok 20
Die ierste pale (21) ieghens die diepe die doe ghenc opt scor die es LXXVII roden (D)
van den hoke van den Westpolre
ende
die pale ieghens (22) die westhoke van den Wale die es LXXVII roden (E)
ieghens die zelve diepe, ieghens Peter Henrics sone (23) C roden ende I rode (F),
ende
ieghens cloesters lant van Myddelborch (24) C roden ende VII roden (G).

Blok 30
Dus diepe eest ieghens den Westpolre alse hier es ghenomet binnen dese vier pale.
Ten Westhoke van den Boempolre IXC roden.(H) Dit es die ierste pale.(31)
Die ander pale van den Boempolre (32) ieghens 't Waleken ieghens der Dietscher heren lant es XCVII roden.(J)
Die derde pale (33) van den oestersten hoke van den Boempolre es C roden ende X roden (K) ende
Die vierde pale (34) ieghens der svarten monike oesterste lant C roden ende XXII roden (L), ende

Blok 40
ten oesthende van den Boempolre (41) ieghens der Dietscher herenlant C roden ende XXII roden.(M)

Blok 50
Die pale van Tseren Wlfartspolre (51) ieghens der svarte monike lant LIX roden (N)
ende ieghens die middewerde van der svarter moniker lande LVII roden. (O)

Blok 60
Int ghescheit van 't s(h)eren Wlfarts lande ende (61) der vorseider liide lande XLVI roden. (P)

Aldat es binnen desen ghenomeden palen dat helden si met ere custinghen also alset dese brief vorseghet, ende dese mate sal wesen van den utersten voete van den dike.
Ende dese custinghe hovde wi vaste ende ghestade ghelike of si voer ons selven ware ghedaen. In orconde van desen brieve beseghelt met onsen seghele.
Ghegheven in ons Heren jare MCCLXXXX in sente Mathiis avonde ter Vere
------------------------------

In deze Custinge van 1291 wordt gesproken over de Westpolder. In een acte uit het Cartularium van Borsele van 1363 wordt gesproken over opbrengsten van de "Westerse nieuwe polder bij de duinen, de oesterse Nieuwre polder (m.i. de Gerstepolder), daar an gelegen en de (polre) daer die kerke in staet enz", en wordt er op gewezen, dat dat al 15 jaar zo het geval was.
En in een akte uit het archief van de heren van Veere van 1433 van rentmeester Jan Jacobs wordt ook gesproken over die Westpolder. Deze akte is een onderdeel van een serie aktes die een tijdsbestek van 1433 tm.1476 beslaat. In deze aktes wordt o.a. een opsomming gegeven van de ontvangen tienden. Deze opsomming volgt een vast geografisch patroon, voor wat betreft de blocken en polders waarover de tienden werden ontvangen.
In deze tiendenreeks wordt in 1433 eerst de Westpolder genoemd, dan het Westeindeblok.
In de volgende akte van 1446 met daarin dezelfde tiendenreeks, wordt de Westpolder, de Noordpolder genoemd. Later is de Noordpolder bekend als de Beekhoekspolder.

Kaart 1. Een overzicht van het gebied van deZwene in 1291 (klik hier)