INPOLDERINGSPERIODE.
HET AMBACHT VAN RIJNSBURG
Het verhaal van de inpoldering wordt verteld in dertien hoofdstukken.
Aan het einde van elk hoofdstuk vindt U een button naar het volgende hoofdstuk.
In de Middeleeuwen waren er op Walcheren een aantal belangrijke kloosters.
Het beroemdste was wellicht het klooster in Middelburg, een stichting
der Premonstratensers of Norbertijnen met daaraan verbonden "de
Proost int Clooster" zoals de boeren op Walcheren de monnik noemden,
die in het klooster de financiële zaken behandelde.
Bij die kloosters op Walcheren wordt ook Rijnsburg vermeld, een verwijzing
naar het klooster voor adellijke nonnen in Rijnsburg
bij Leiden. Op Walcheren was er echter geen sprake van een klooster Rijnsburg,
waarin nonnen woonden, maar van een uithof, gelegen tussen Oostkapelle
en Serooskerke. Deze uithof verpachtte gronden op Walcheren, gronden welke
verkregen waren door schenking, koop of door eigen bedijkingsactiviteiten.
Het klooster in Rijnsburg bij Leiden werd gesticht rond 1133 en volgde
de regels van de orde van Benedictus. Behalve de dienst aan God in het
dagelijks koorgebed, was het klooster er op gericht dochters uit adellijke
geslachten op te voeden. Deze dochters werden vaak reeds als kinderen
toevertrouwd aan het klooster. Daarnaast was de zorg voor de armen van
Rijnsburg en omgeving van groot belang. Drie maal per week en op feestdagen
werd er voedsel uitgereikt en als er hongersnood was en dat kwam in de
Middeleeuwen nogal eens voor, werd er zelfs dagelijks voedsel uitgedeeld.
Men moet daar niet te min over denken, op een tweede Pinksterdag werd
eens aan 6700 behoeftigen voedsel uitgedeeld.
Nu was Zeeland in de veertiende en de vijftiende eeuw één
van de belangrijkste tarwegebieden van de Nederlanden en de uithof in
het ambacht van Rijnsburg op Walcheren zorgde er dan ook voor, dat tarwe
via deze uithof terecht kwam in het klooster Rijnsburg bij Leiden.
001
De uithof lag tot 1334 aan zee en dat was voor de export van graan
gemakkelijk. Verheye van Citters suggereert zelfs dat een tiendenblock,
waarin het woord "danker" voorkomt, er op zou wijzen, dat daar een ankerplaats
voor schepen was. Inderdaad is er een tiendenblocklijst002,
waarin letterlijk voorkomt "Heel D'Ankers Perk", een perk gelegen in de
blockno.89/90. Ook op de tiendenkaart
van Notaris Loeff wordt dat block vermeld en waarachtig, dit block ligt
vlak bij Rijnsburg op "t gescheij" van Serooskerke en Oostkapelle én
met een uitgang naar de Zwene via de Busenare, waar tot ca. 1300 nog de
zee kwam. Of de opmerking van Verheye van Citters waar is, mag de lezer
zelf beoordelen, toch is het opvallend, dat daar, waar hij een ankerplaats
situeert, dit tot ca.1300 niet strijdig is met onze visie.
Nog even terug naar die tarweverscheping. Tot ca. 1443 werd het graan
vanuit Middelburg, waar men een zolder had gehuurd als opslagruimte, via
Gouda naar Leiden verscheept. 003.
Maar in 1444 is er een rekening waaruit blijkt, dat het graan dan vanuit
Vrouwenpolder via Delft naar Rijnsburg werd getransporteerd. 004.
De graven van Holland waren het klooster Rijnsburg bij Leiden welgezind.
Ze logeerden er vaak, werden er begraven en verschillende dochters uit
de grafelijke familie werden er opgenomen als non, werden er zelfs abdis.
Ook ontving het klooster van de graven vaak schenkingen en andere gunsten.
Zo oefende de abdis in haar gebied, dus ook op Walcheren, zowel de hoge
als de lage rechtspraak uit. Op kerkelijk gebied had zij het recht van
collatie, zij mocht aan de bisschop van Utrecht personen van haar keuze
voordragen om de ambten in de kerken, kapellen, vicariën en scholen
van haar gebied te bekleden. Dat was gelijktijdig een bron van inkomsten
voor de abdis 005.
Later kwam de abdij direct onder het gezag en bescherming van de Paus
te staan, wat vooral op Walcheren een voordeel was, gezien haar machtige
buren, de abt van Middelburg en de Heren van Veere.
Eén van de belangrijkste schenkingen wordt genoemd in een oorkonde
uit 1199 006, waarin blijkt dat Dirk
VI (1121-1157) al eerder gronden rond Aalsmeer, Noordwijk en Delftland
had geschonken aan het klooster. Die schenking moet dan hebben plaatsgevonden
vóór 1157, de overlijdensdatum van Dirk VI.
In of vóór 1199 zijn deze gronden weer overgedragen aan
de graaf en in ruil en ter compensatie ontving Rijnsburg 250
gemet op het eiland Walcheren. Deze 250 gemet was onderverdeeld in
234 gemet, liggende ten westen van de kerk van Oostkapelle en 16 gemet
ten oosten van Oostkapelle.
Tot deze 250 gemet behoorde ook een uithof en vanuit deze uithof werd
het bezit van Rijnsburg op Walcheren gestadig uitgebouwd via schenkingen,
aankopen en inpolderingen.
Hoe groot het ambacht van Rijnsburg op Walcheren is geweest op het hoogtepunt,
is natuurlijk niet meer exact na te gaan, maar toch is er een belangrijke
aanwijzing.
Het ambacht van Rijnsburg op Walcheren
werd ook wel genoemd "het ambacht van de Twaal honderd gemeten". Dit
ambacht lag zowel in de Oostwatering, zoals blijkt uit een zestiende
eeuwse overloper Oostwatering (1566) 007,
alsook in de watering van de Vijfambachten
(1584), niet alleen volgens een vijftiende eeuwse rekening 008
maar ook uit het Vergaarboek (1566) van de Vijfambachten.
In de watering van de Vijfambachten lagen, als we praten over de inpoldering
van Noordwalcheren, delen van de parochie Oostkapelle, maar ook delen
van de parochie van Serooskerke. In de Oostwatering lagen o.a. de parochies
Serooskerke, Gapinge en Zanddijk.
De naam "de Twaalfhonderd Gemeten"
komt, voorzover we nu weten, voor het eerst voor in een uitspraak van
Philips van Bourgondië uit 1442 inzake een geding tussen de Oostwatering
en de ingelanden van de "Twaalfhonderd gemeten" waarin de ingelanden voortaan
zullen worden vrijgesteld van alle bijdragen in de kosten van alle nieuwe
werken en bedijkingen, die op Walcheren vercaveld zijn of nog zullen worden,
aldus Hüffer.
Het getal "1200" zal, zoals dat vaker voorkomt, een afgerond
getal zijn, dus meer een naamgeving, gebaseerd op ongeveer 1200 gemeten,
dan dat het precies 1200 gemeten groot was. In de Twaalfhonderd
gemeten wordt een nadere verklaring gegeven
Welke polders behoorden dan tot het ambacht van Rijnsburg ?
De eerder genoemde overloper van de Oostwatering is van 1566, dus van
vóór de omwenteling op Walcheren in 1572. In die overloper
wordt het bezit van kloosters en katholieke kerken nog duidelijk vermeld.
Op folio 167v en de daarop volgende bladzijden staat :
"Tafele van de blocken van de Twaelfhondert gemeten" waarna 7 blocken
worden genoemd en
dan volgen twee opmerkelijke teksten !
1. Zij geweten, dat alle de landen in dese 1200 gemeten liggende ende
staende op de vrouwe van Rijnsburg naem. Deselve al 't samen zijn gemeten
te dese verheveninge bij Jonge Pier Sijmonse, lantmeeter ende zulcx als
die bevonden zijn zonder contradictie van de baenders zijn de zelve. Alsulcxs
als nu int perticulier te boeck gestelt
dus hier 't selve.............................................................................................tot
memorie
2. Overlooper van de twaelf hondert gemeten in de prochie van Serooskerke
't welcke verbueren ten dicke maer niet tot waterpenninghe.
De overloper van de Oostwatering van 1566 sluit de opsomming in de 1200
gemeten in Serooskerke af met :
Somma totalis van den geheele grootte van de costbaerlanden in de twaalfhonderd
gemeten bedragen ten nombre van 587 gemet ende 2 roe ende in vroon 80
roe.
Compt tsamen 587 gemet 82 roe.
Een volgende opmerkelijke tekst staat in het vergaarboek van de Vijfambachten
van 1566 onder het hoofdstuk "Geestelijke en Geprivileerden".
Daar vind je een lijst met daarop o.a :
"De vrouwe van Rijnsburg - 428 gemet en 47 roe", jammer genoeg zonder
specificatie.
Tel je deze 428 gemet 47 roe op bij de 587 gemet 82, roe dan kom je op
1015 gemet 129 roe, die vrijgesteld zijn. Duidelijk is ook, dat
de 1200 gemeten wordt vereenzelvigd met de Vrouwe van Rijnsburg. Het aantal
gemet, dat niet is vrijgesteld, maar toch tot het ambacht van Rijnsburg
behoorde is dan het verschil tussen 1303 gemet en 274 roe en 1015 gemet
en 129 roe en dat komt uit op 288 gemet en 145 roe.
Deze 288 gemet en 145 roe zijn dus niet vrijgesteld, en
dat verschil zal vermoedelijk geheel betrekking hebben op het gedeelte
van Rijnsburgs ambacht, dat in de watering van de Vijfambachten lag.
In de Vijfambachten lag dus 428 gemet en 47 roe, die vrijgesteld was en
288 gemet en 145 roe die niet was vrijgesteld. Dat is in totaal 716 gemet
en 192 roe.
In een stuk uit 1483 wordt gesteld dat Rijnsburg voor het ambachtsgedeelte
in de Vijfambachten voor 700 gemet wordt vrijgesteld voor een bijdrage
in het graven van een nieuwe afwatering.
In 1485 wordt Rijnsburg weer vrijgesteld voor 700 gemet, ook voor een
nieuwe watergang en 1487 eveneens, nu "van den duynpotingh, van den cleyn
huelen ende van de sluys in den Arendijk. 009.
In een ander stuk van 1483 wordt Rijnsburg opnieuw voor haar 700 gemet
in de Vijfambachten vrijgesteld van een betaling van 4 groten, 6 mitten
voor de "heulen, duynpoetingh ende van den ware te Westkapelle".010.
Kennelijk lag van het ambacht van de 1200 gemeten rond 700 gemet ambachts
in de Vijfambachten.
Rond 1566 is vrij duidelijk, wat nu vrijgesteld is en wat niet. Dat is
niet altijd zo geweest, je krijgt zelfs de indruk, dat de abdis van Rijnsburg
dat zelf ook niet meer wist. Ook de graaf had niet altijd duidelijk zicht
daarop, gezien zijn soms tegengestelde uitspraken. In 1440 verklaart Philips
van Bourgondië 011, dat
Rijnsburg voor haar landbezit, heerlijkheden, onderzaten en goederen vrijdom
heeft van alle beden, schot en andere grafelijke belastingen, uitgezonderd
dijk- en watergeld. Toch eisen de grafelijke klerken tot 1455 een schotbetaling.
In "de bezittingen van de Abdij van Rijnsburg in Zeeland" een scriptie
van Mevr. M.P.Neuteboom-Dieleman van 1974, in 1991 opnieuw bewerkt en
herzien, (overigens een voortreffelijk werk met zeer veel gegevens, waarvan
dankbaar gebruik gemaakt is 012),
komt de verwarring waarover nu wel schot, watergeld en dijkgeld moet worden
betaald en waarover niet, duidelijk te voorschijn. Wie er meer over wil
weten, kan in bovengenoemd werk zijn hart ophalen !
Na de hervorming verkochten de Staten van Zeeland in 1579 de goederen
van Rijnsburg in Zeeland als vrij allodiaal goed aan Jonkheer
Alexander van Haultain voor fl. 8.680.00. Alexander van Haultain komt
voor in de overloper van de van Vijfambachten van 1584 als grondeigenaar
in de voormalige heerlijkheid van Rijnsburg. Alexander was familie
van de laatste abdis van Rijnsburg, maar had vermoedelijk de kant vam
de Hervormden gekozen
Per block zal worden besproken, wanneer dat block vermoedelijk
is ingepolderd en waarom het block behoort tot het ambacht van de Twaalfhonderd
gemeten. (Rijnsburg).
De ligging wordt aangegeven op de kaart die behoort bij het block.
Vaak is het zo, dat maar een gedeelte van de
percelen na de inpoldering in het bezit bleven van de abdis van Rijnsburg.
Waarschijnlijk werden na inpoldering een aantal percelen snel verkocht,
de abdis zal wel een liquiditeitsprobleem gehad hebben, de inpolderingen
immers gingen gepaard met hoge kosten, zoals dat met nadruk in sommige
stukken wordt vermeld.
Mevr. Neuteboom-Dieleman geeft in haar studie over de bezittingen van
de abdij van Rijnsburg wat meer informatie. In de dertiende eeuw zou het
eigen grondbezit 360 gemet 150 roe zijn, in het landmeterverslag van 1472
was dat 404 gemet en 285 roe. 013
In de 16e eeuw zou ongeveer 545 gemet in het ambacht van Rijnsburg nog
eigendom geweest zijn van de abdij, volgens een in 1940 verloren gegane
bron zou dit ook ongeveer het aantal gemet geweest zijn dat Alexander
van Haultain in 1579 kocht. 014
. Mevr.Neuteboom konstateert dat we door het ontbreken van voldoende
gegevens, het juiste verloop van dit grondbezit niet meer kunnen achterhalen.
De volgorde waarin de blocken worden besproken, is de vermoedelijke volgorde
van inpoldering. Van sommige polders is de datum van inpoldering bekend,
bv. van de Boonepolder. Het is duidelijk dat er naar de Zwene toe werd
ingepolderd, die polders kwamen dan "buten Zwene" te liggen. Ook is vaak
duidelijk, dat de ene polder pas kan zijn ingepolderd, als een andere
polder er al was. Ook bepalend daarvoor is de vorm van een dijk, zoals
dat bv. eveneens bij de Boonepolder duidelijk naar voren komt.
Een goede aanduiding van wat er bij een polder hoort, vind je in de looprichting
van de percelen grond. De vorm van een block is overgenomen uit blockenkaarten
van de zeventiende eeuw. Ook een tiendenkaart van Walcheren uit het begin
van de twintigste eeuw is belangrijk. De (soms) geschatte datum van inpoldering
wil niet altijd zeggen, dat de abdij van Rijnsburg de inpolderaar is.
Het is zeker dat delen van het bezit na de inpoldering zijn aangekocht
of als schenkingen werden ontvangen.
Er speelt nog een ander probleem een rol. Kun je wel stellen, dat elk
block een aparte inpoldering is geweest.? Omdat het vaak verjongde gronden
zijn (Bennema) moeten ze op een of andere wijze toch beschemd zijn tegen
overstromingen. De verschillen in perceelindelingen zouden kunnen wijzen
op een aparte behandeling, in dit verband op een aparte inpoldering.
Er is o.i. geen andere verklaring voor de onderling per block afwijkende
perceelindeling.
Jammer genoeg heeft Bennema bij zijn grondonderzoek weinig oude dijken gevonden
Ga voor verdere gegevens naar Rijnsburg 000
|