DE INPOLDERING VAN NOORDWALCHEREN

Kaart

Deze kaart is samengesteld uit gegevens van de veldnamenkaart gecombineerd met een vijftal zeventiende eeuwse parochieblockkaarten. Wat hedendaagse gegevens zorgen voor een goede oriëntatie.

DE KUSTLIJN van 1546, Walcheren-noordoost

Het verslag van Arent Jans Boom
Arent Jans Boom verzorgde rond 1546 een opmeting van de kust van Walcheren, vermoedelijk in opdracht van de Staten van Zeeland. In een publikatie van het Koninklijk Zeeuws Genootschap der Wetenschappen, besprak de Waard in een artikel dit verslag. 070.
In de zestiende eeuw was men van mening, dat bij plannen voor de verdediging van het eiland Walcheren er rekening gehouden moest worden met de gesteldheid van de kust. Aan een onderzoekscommissie met aan het hoofd één van de vier dijkgraven van Walcheren en verder enige schippers en piloten, in dit geval Arent Jans Boom, werd opgedragen een rapport te maken. De resultaten werden vastgelegd in een kaart en in een geschreven verslag, van Arent Jans Boom alias met Genuchten. "Alst Past" laat hij er aan vooraf gaan. Het verslag werd opgedragen aan keizer Karel V. Meer hierover in de webpagina Panorama van Walcheren
De kaarten zijn verloren gegaan, het verslag is er gelukkig nog.
Voor ons onderzoek is van belang het gedeelte van het verslag dat betrekking heeft op de kust tussen de uitspanning Oranjezon bij Vrouwepolder en Veere.

We pakken Booms verslag op bij Westhove en volgen zijn verslag tot Veere. Het probleem is om locaties te vinden die we nu nog kunnen aanwijzen.
En dat is niet eenvoudig !
Uiteindelijk is er besloten om het verslag te bespreken niet in de volgorde zoals Boom dat deed, maar net andersom en te beginnen bij de poort van Veere. Dat is een vast punt, een punt dat ook heden nog is te localiseren. !

Daarover schrijft Boom:
"Item van den Vijf ambochten hoefde tot aen die porte van der Veer, die men gaet naar Onze Vrouwe polder, est lanck vierhondert roeden."
Van Veere bestaat er een bijzonder mooie kaart van Jacob van Deventer. De kaart is afgedrukt in "Zeven eeuwen Veere" 122. Aan de noordwestkant begint daar een dijk met een molen erop en vermoedelijk begint op die dijk de weg naar Vrouwepolder in die tijd. Dijken waren immers ook in de winter redelijk begaanbaar.
Het Vijfambachtenhoofd wordt genoemd op de kaart van Hattinga 123 uit 1750. Zo kan de afstand 400 roe op onze kaart worden ingemeten.
Met de naam Vijfambachtenhoofd moet iets speciaals bedoeld worden. Want waarom wordt in de Oostwatering een palenhoofd genoemd naar de watering van de Vijfambachten. ? Heeft dat iets te maken met de nieuwe uitwatering van de Vijfambachten in de veertiende eeuw? Dus dat wordt tzt. nog eens uitgezocht.

Boom vervolgt:
"Item van den Biercreken hoet tot dat Vijf ambochten hoet est lanck seshondert ende twaelf roeden ende es vele schorre ende goede scaperie".
Als we langs de kust vanuit het Vijfambachtenhoofd de afstand 612 roe uitzetten, dan eindigen we op de kaart van Hattinga ongeveer bij "het Grote Nollenhoofd". De Bierkreek moet daar gelegen hebben. Dat is precies daar, waar het Waeleke uitmondde in zee, zoals dat te vinden is op de kaarten die horen bij de Custinghe van 1291 Die Bierkreke lag op een zeer kwetsbaar punt, de naam Nollenhoofd wijst er al op. Landinwaarts lag daar de Weelpolder en op de eerder genoemde kaart van Hattinga is daar ook duidelijk een andere weel te zien.
Vraag: er moet nog een kaart zijn, waarop de Bierkreek wordt genoemd, wie kent die kaart ?

Daarvoor noemt Boom:
"Item van desen Haeck oft drie hoefden tot dat B[iercreke] hoeft est lanck, al lanxs die thee van den dijc[k] ghemeten ende lanxs den waetercandt, ende daer leyt eenen ham tot dese Biercreke toe, ende es al schoor ende scaeperie, bevonden lanxs seshondert roeden."
Een gedeelte van de tekst-Biercreke- staat tussen haakjes, een toevoeging van de Waard, die het originele stuk transcribeerde. Mogelijk betekent de tekst-Ende daer leyt een ham tot dese Bierkreke toe-, dat de Bierkreke aan een inham lag. Die (in)ham zou dan mogelijk ontstaan zijn op de plaats waar de Barradotspolder heeft gelegen. Deze polder is vaak ondergelopen en verschijnt dan weer een paar jaar later onder een andere naam.
De tekst-van desen Haeck oft drie hoefden- zou verwarring kunnen scheppen. Kennelijk worden deze drie hoofden gezien als een onderdeel (een Haak=hoek) van de kustlijn, dat vrij markant is. Dat klopt ook wel, want vanaf dat punt begint de kustlijn af te buigen naar het zuiden. In 1546 zal het fort Den Haeck er nog niet geweest zijn. Onduidelijk is het of de Oosternieuwlandpolder er nu al wel lag of niet. Boom spreekt daar niet over.
De afstand 600 roe is op de kaart ingemeten en klopt.

Boom bespreekt nu de kust aan de noordkant van Walcheren.
"Item van daer (dus vanaf de tweede strekdam) tot dat derde hoet, al beslach met rijs ende steen wel beleyt, gelicke hondert roeden; dese drie hoefden zin overlanck geleyt, maer daer esser nu al vele meer seder gemaekt ende al tot preservacie van den Polder, want daer zin dickwel vele grondtbreken gevallen"
Boom merkt op, dat er na zijn opmeting in vrij kort tijd een groot aantal strekdammen zijn bijgekomen. Dat blijkt ook op de kaart van van den Wijngaerde uit rond 1550
Wat de oorzaak is, dat er in zo'n korte tijd zoveel extra strekdammen nodig waren, is niet duidelijk. Er is kennelijk iets gewijzigd in de stroomgeulen voor de kust, die dat noodzakelijk maakten. De bovengenoemde afstand van 100 roe vanaf die derde strekdam naar het westen is op de kaart gezet.

Vanuit de bovengenoemde tweede strekdam, wordt nu de afstand tot de eerste strekdam genoemd door Boom:
"Item van daer (dus vanaf de eerste strekdam) tot dat tweeste hoet, al beslach, lanck hondert roeden".
De afstand van 100 roe tussen de eerste en de tweede strekdam is op kaart gezet.
De eerste strekdam komt dan precies op de noordwestpunt terecht van de Noordernieuwlandpolder. De Noordernieuwlandpolder is in verhouding laat ingedijkt, nl. pas in 1458. De polder lag "moeilijk",had veel te lijden als er weer eens een noordwester storm was en brak verschillende keren door.

We volgen Boom opnieuw, nog steeds naar het westen. Hij schrijft dan:
"Item van hier begint dat groete scoor ende scaperie, loepende tot den houck van Onse Vro(u)we Poldere often den haeck lanck(s) eenen rechten dijck, lanck sevenhondert roeden tot dat eerste hoet van den haeck"
Nu ontstaat er een probleem !
En dat zit 'm in de tekst "eenen rechten dijck"
Op welke uit de 16e, 17e of 18e kaart we ook kijken, we zien geen rechte dijk, behalve op de kaart van van den Wijngaerde, waar wel een rechte dijk wordt aangegeven. Zou dan toch de kaart van van den Wijngaerde een kopie geweest zijn van de zoekgeraakte kaart van Boom, later door van den Wijngaerde aangevuld met een extra aantal strekdammen?
Opvallend is bv. dat de maten die Boom opgeeft, sterk overeenkomen met de maten op de kaart van van den Wijngaerde. Zo wordt op die kaart de afstand tussen Vrouwepolder en Vere vermeld als 1612 roe en de door Boom genoemde afstanden zijn daar 600 roe + 612 roe + 400, dat is ook 1612 roe. Vooral die 12 roe wijst sterk op een relatie tussen beide kaarten.
Nemen we de afstand tussen Westhove en de eerste hoek bij de Polder bij van Wijngaerde, dan is dat 2330 roe, bij Boom is dat 730 + 600 + 700 + 100 + 100 = 2230 roe. Wie hier fout is , is niet direct duidelijk. Gezien de veel meer gedetailleerde gegevens van Boom, lijkt het er op dat van den Wijngaerde een optelfout heeft gemaakt. Wel wijst die 30 roe weer op een overeenkomst tussen beide bronnen.

Verder met het probleem van "den rechten dijck", hierboven genoemd.
De veldnamenkaart suggereert, dat de noorddijk van de Beekhoekspolder doorliep over de Beekhoeksbeek, Bennema noteert op zijn grondsoortenkaart daar ter plaatse verstoorde grond, de erfgrens van de percelen in het bos ten noorden van de Vroonweg lopen evenwijdig met die dijk van van den Wijngaerde.

In de zomer van 2001 heeft een AdHoc werkgroepje met daarin Peter Blom, Peter Henderikx,
Aad de Klerk, Jan Zwemer en Ivo Back met E-mail assistentie van Anton van Haperen, nog eens gekeken naar dit probleem. Men kwam tot de conclusie, dat het toch wel logisch is om er van uit te gaan, dat die "rechten dijk" lag ter plaatse van die verstoorde grond. Het kwam immers regelmatig voor, dat dijken, die hun functie verloren hadden, werden afgegraven.

De kaart is hierop aangepast.

Het gedeelte van de kustlijn tussen Westkapelle en het op de kaart genoemde begin van de dijk,
wordt later uitgewerkt.