DE INPOLDERING VAN NOORDWALCHEREN

MATEN en GELD

Het brengen van eenheid in de systemen van maten en geld stond in 1798 al op het programma van de politiek in Nederland. Toch werd het Franse metrieke stelsel voor wat betreft de maten pas in 1809 en 1810 in het gehele land ingevoerd.In 1813 na de bevrijding herleefde overal de oude systemen maar in 1820 werd het nieuw stelsel definitief aanvaard.

Het oude stelsel was een regelrechte ramp.
Een klein voorbeeld :
De "el" in Middelburg schijnt van een andere lengte geweest te zijn als die van Veere en dat op een afstand van 6 kilometer.
Als land(oppervlakte)maat werd op Walcheren meestal de Blooise roede gehanteerd. In een Middelburgs advertentieblad van 1813 wordt een stuk grond aangeboden, waarin de oppervlakte zowel in roeden als in mtr.2 wordt vermeld. Als je met die gegevens uitrekent hoeveel meters er in een roe gaan, dan is de conclusie dat er in die advertentie sprake is van Blooise roeden. Hattinga vermeldt op zijn 9 delige kaart van Walcheren, dat hij bij zijn opmeting uitgaat van de Rijnlandse roe. Op een kaart van de heerlijkheid van Oostkapelle in het Zeeuws Archief (aanwinst.1920.81.13, 16 april 1668) wordt ook vermeld dat gemeten wordt in Rijnlandse Roeden.
Op de kaart van Bernaerds van 1641 wordt gesproken over de Walcherse roe.
Mogelijk dat men plaatselijk op Walcheren de Blooise roe gebruikte, kwam de landmeter van buiten Walcheren, dan werkte hij met de Rijnlandse roe en dat stond dan nadrukkelijk op zijn kaarten.
Men kent ook nog als lengtemaat een hevene, dat zou 200 roe zijn, maar welke roe daarvoor wordt gebruikt is ook weer de vraag.

DE MATEN
De lengtematen :
1 Blooise roede was gelijk aan 3.617 meter
1 Rijnlandse roede was gelijk aan 3.767 meter
1 Schouwse roede was gelijk aan 3.725 meter
1 Putse roede was gelijk aan 4.070 meter.
De Walcherse roe, genoemd op de kaart van Christoffel Bernards, ca 1640, is mogelijk gelijk aan de Blooise roe
In een proces tussen de abdis van Rijnsburg en de Oostwatering (Kijfdijk) werd ook nog melding gemaakt van een 1/4 mijle. Dit zal vermoedelijk de landmijl van 1609 meter zijn geweest.
Een halve gemene Duitse mijl is gelijk aan 1000 Blooise roeden dus 1.808.50 meter

De oppervlaktematen :
Op Walcheren gebruikte men het gemet als oppervlaktemaat.
1 gemet Bloois was gelijk aan 0.3924 hectare of wel 3.924 mtr.2
1 gemet Rijnlands was gelijk aan 0.4258 of wel 4.258 mtr.2hectare
Er gingen 300 vierkante roeden in 1 gemet
In "Duizend jaar Walcheren"088 staat, dat op Walcheren het Blooise gemet werd gebruikt, maar dat is niet altijd zo, zoals uit bovenstaande opsomming blijkt.

HET GELD
Op Walcheren werd meestal gerekend in ponden Vlaams.
De onderverdeling van een pond stamt nog van Karel de Grote, die dit stelsel in zijn keizerrijk invoerde. Het stelsel heeft zeer lang bestaan, in Engeland werd pas in de twintigste eeuw de oude onderverdeling veranderd in een meer metriek stelsel.
Uiteraard ontstonden er in de loop der tijden verschillende soorten ponden,die alle onderling qua waarden weer verschillend waren. Zo had je het "pond Hollands" en het "pond Parisa" en het " pond Vlaams" dat in Zeeland veel gebruikt werd. De Latijnse naam voor een pond is Libra. De "L" van Libra is lang gebruikt als afkortingsteken voor een pond
In een Vlaams pond zaten 20 schellingen,elke schelling was weer verdeeld in 12 groten (penningen).
Elke penning was weer onderverdeeld in 24 mieten, maar door de geldontwaarding verdwenen de mieten in de loop der eeuwen weer uit de circulatie.
Bij de muntordonnantie van 1694 werd in de Republiek de zilveren gulden als algemene munt ingevoerd. Een pond Vlaams zou dan gelijk zijn aan 6 guldens. Zeeland behield echter zijn eigen muntslag en daarom week b.v. de waarde van de Zeeuwse rijksdaalder af van die in Holland.089
Vaak wordt geprobeerd om de waarde van een pond Vlaams te vertalen naar hedendaagse guldens, maar eigenlijk is dat een onmogelijke zaak, omdat ook heden ten dage de waarde van een gulden van vandaag een totaal andere is dan de waarde van een gulden uit 1933.

DE FISCUS
Tot 1543 werd in de Nederlanden door de centrale Overheid, in dit geval dus de vorst, belasting geheven door middel van beden. De Bede was een Middeleeuwse vorm van belasting, gevraagd door de vorst aan de onder zijn jurisdictie vallende onderdanen. De vorst was verplicht voor elke belastingheffing een verzoek (bede) te richten tot de Staten. Het systeem ontstond in de 12e eeuw, aanvankelijk alleen gevraagd in tijden van geldbehoefte. In de loop van de 13e eeuw werden de beden jaarlijks geheven. Feitelijk kwam het er op neer, dat de Staten gezamenlijk het bedrag aan beden moesten opbrengen, via een bepaalde verdeelsleutel. Vervolgens verhaalden de Staten dit bedrag weer op de steden en heerlijkheden, eveneens via een bepaalde verdeelsleutel. Tenslotte werden de inwoners aangeslagen door de lagere overheden, waarbij de adel en de geestelijkheid buiten schot bleven. Keizer Karel V en Philips II poogden een moderner stelsel op te zetten met het invoeren van de 100ste penning (1 % van het vermogen) de 20ste penning (5 % van verkocht onroerend goed) en de 10e penning (0% van verkochte roerende goederen). De oplettende lezer herkent hierin de vermogensbelasting, de overdrachtsbelasting en de BTW. Na 1579 werd deze belasting overgenomen door de Republiek. Aldus A.H.G.Verouden.
De honderdste penning werd tijdens de opstand geheven als een eenmalig heffing om in de onmiddellijke noden van de schatkist te voorzien. Ook op Walcheren werd deze belasting geheven, de lijsten daarvan zijn vaak bewaard, zij beginnen tussen 1575 en 1580. De huurder of pachter moest de honderdste penning voor de eigenaar voldoen, met dien verstande, dat hij 5/6 gedeelte met de huur mocht verrekenen.

Naast deze belastingen waren er ook nog stedelijke belastingen, zoals op bier, op wijn, op schoorstenen, ramen enz. In "De pelgrimstocht naar het draagkrachtbeginsel van F.Grapperhaus" vindt U hierover veel informatie.