DE INPOLDERING VAN NOORDWALCHEREN |
|
|
|
Deze kaart is samengesteld uit gegevens van de veldnamenkaart gecombineerd met een vijftal zeventiende eeuwse parochieblockkaarten. Wat hedendaagse gegevens zorgen voor een goede oriëntatie. |
VLAMMej.Alida Wilhelmina Vlam werd geboren in Hoorn. Zij studeerde op vrijdag 30 oktober 1942 te Utrecht af op haar proefschrift "Historisch-morfologisch onderzoek van eenige Zeeuwse eilanden". Het doel van haar onderzoek is inzicht te verkrijgen omtrent de veranderingen
op morfologisch gebied, die Zeeland in de loop der tijden heeft ondergaan.
Bij het doorwerken van de desbetreffende literatuur_en de archivalia bleek
duidelijk de grote schaarste aan gegevens uit het tijdperk van vóór
de 13e eeuw. Uitbreiding van de kennis omtrent de vermoedelijke verschuivingen
en veranderingen in ons kustgebied deden Rijkswaterstaat besluiten tot
het onderzoek waarvan U hieronder de resultaten aantreft " aldus een citaat
uit de scriptie van Mej. H. Vlam, later gehuwd met Prof. Edelman. Mevr.Edelman-Vlam
overleed op hoge leeftijd in het voorjaar van 1999 Het proefschrift bevat oa. de volgende hoofdstukken
Een verklaring van de tekens op deze kaart. Bovendien is aan de hand van de terreinwaarnemingen, de begrenzing der ruggen met een blauwe stippellijn aangegeven. Deze ruggen zijn opgebouwd uit zand en zavelige klei, terwijl ter plekke geen veen werd aangetroffen. Deze ruggen zijn de verlande stroomgeulen. In de lagere delen van het eiland was de situatie geheel anders. Na 1 meter klei werd daaronder steevast veen of zoals men op Walcheren zegt, derrie aangetroffen. Dit type veen komt overeen met het veenveld van Holland en Utrecht. Het resultaat was, dat op de kaart van Vlam van Walcheren te zien is hoe achter de duinenrij grote veengebieden lagen met daarop die kleilaag, een gebied dat doorsneden werd door de (veenloze) geulen, die dichtgeslibd waren, eerst met zand en bij het ondieper worden met meer kleiige sedimenten. Het veen klinkte in de loop der eeuwen in en de geulen (veenloos) kwamen hoger te liggen dan het omringende land. Volgens Vlam waren deze geulen reeds in de Romeinse tijd aanwezig (blz.39)
en waren deze geulen in de Karolingische tijd (ca.850 stelt Vlam) al verland.
Haar conclusie is dan ook dat de morfologie het overtuigend bewijs geeft
dan Walcheren reeds vóór zijn bedijking één
geheel uitmaakte en dat het op het tijdstip van inpoldering geen getijgeulen
bezat De vraag is echter of dat zo absoluut gesteld kan worden. Het zal gedeeltelijk wel zo zijn, het ontstaan van de kustwal zal het zeker bevorderd hebben, maar de Serooskerkse spring zal pas na 1134 zijn afgedamd en dat geldt evenzeer voor de dijk, die het stroomgebied bij Ipenoord afsloot. Kortom, tussen 850 n.Chr. en het aanwezig zijn van de ringdijk rond Walcheren liggen nog een aantal eeuwen. |