DE INPOLDERING VAN NOORDWALCHEREN

Kaart

Deze kaart is samengesteld uit gegevens van de veldnamenkaart gecombineerd met een vijftal zeventiende eeuwse parochieblockkaarten. Wat hedendaagse gegevens zorgen voor een goede oriëntatie.

VLAM

Mej.Alida Wilhelmina Vlam werd geboren in Hoorn. Zij studeerde op vrijdag 30 oktober 1942 te Utrecht af op haar proefschrift "Historisch-morfologisch onderzoek van eenige Zeeuwse eilanden".

Het doel van haar onderzoek is inzicht te verkrijgen omtrent de veranderingen op morfologisch gebied, die Zeeland in de loop der tijden heeft ondergaan. Bij het doorwerken van de desbetreffende literatuur_en de archivalia bleek duidelijk de grote schaarste aan gegevens uit het tijdperk van vóór de 13e eeuw. Uitbreiding van de kennis omtrent de vermoedelijke verschuivingen en veranderingen in ons kustgebied deden Rijkswaterstaat besluiten tot het onderzoek waarvan U hieronder de resultaten aantreft " aldus een citaat uit de scriptie van Mej. H. Vlam, later gehuwd met Prof. Edelman. Mevr.Edelman-Vlam overleed op hoge leeftijd in het voorjaar van 1999
Een anekdote is hier op zijn plaats;
Op een vrijdag was ik (I.P.Back) in de bibliotheek van de Rijksuniversiteit Utrecht op bezoek om aldaar het werk van Mevr.Vlam te raadplegen en van de in haar proefschrift aanwezige kaarten copies te maken. De zaterdag volgend op die vrijdag, bezochten mijn vrouw en ik onze leeszaal in Bussum. Helaas waren we de bibliotheekkaart vergeten en mijn vrouw bood aan die te halen, zij wist waar die lag. Ik bracht de wachttijd door met het lezen van de NRC en vond tot mijn verbazing in de kolom "Overlijdensadvertentie" een aankondiging, dat Mevr.A.Edelman-Vlam van enkele dagen geleden op hoge leeftijd was overleden. Er stond een correspondentie adres bij. Ik heb toen Maandag volgend op die vrijdag, een condoléancebrief geschreven. De volgende dag werd ik reeds opgebeld door haar zoon die op het punt stond weer terug te keren naar Amerika, nadat hij de erfenis had afgehandeld. Hij vertelde mij dat de gehele bibliotheek was verkocht aan Gijsbert en van Loon in Arnhem. De volgende dag slaagde ik erin daar haar originele proefschrift met de daarbij horende kaarten aan te schaffen.
Alles bij elkaar een uitzonderlijke gebeurtenis

Het proefschrift bevat oa. de volgende hoofdstukken

  1. Het historisch onderzoek
    Op kaart 1 werden, alle tot dusver haar tot dusver bekende bedijkingen ingevoerd.Deze kaart is voor het Walcherse gedeelte zeer summier. Volgens Vlam moet men er echter rekening mee houden, dat landaanwinst en landverlies elkaar afwisselden. Bekende grote vloeden veranderden in enkele uren het gehele kartografische beeld. Nu speelt dit aan de noordkant van Walcheren veel minder. Vlam beval aan een serie kaarten te maken, waarop men de bedijkingen per eeuw zou aangeven.
  2. Het Morfologisch onderzoek
    Dit onderzoek omvat behalve de bestudering der terreinvormen ook die der gesteldheid van de bovenste lagen. De oppervlaktevormen, waarvan een stelsel van hoge ruggen deel uitmaakte, konden in het vrije veld worden nagespoord en op het oog op de kaart worden ingetekend.
    Voor het onderzoek naar de bodemgesteldheid was het echter noodzakelijk over te gaan tot het verrichten van een groot aantal boringen.(2665 stuks op Walcheren). Men gebruikte daarvoor een korte "1 meter lepel"boor, die in staat was een goed monster van 1 meter uit de bouwvoor te nemen. In dit gat werd met een tweede boor, een "3 meter" staafboor, een tweede boring gedaan. In totaal had men daardoor de beschikking over een diepte monster van 1+3= 4 meter. De boorpunten werden bij voorkeur op de laagste punten in het terrein genomen.
    De uitkomsten van deze boringen zijn door Vlam op kaarten aangegeven. Voor Walcheren is van belang "Kaart 2a. Bodemkaart van Walcheren", die hierboven is opgenomen, echter op een andere schaal en alleen voor het gedeelte dat betrekking heeft op Noordwalcheren.

Een verklaring van de tekens op deze kaart.
Een open cirkel is een punt waar geen veen werd aangetroffen, een dichte cirkel een punt waar wel veen werd aangetroffen. Door deze dichte punten is een lijn getrokken, die de grens van het veen bij benadering aangeduid
Op deze wijze ontstonden oude oeverlijnen, waarbinnen een veenloze strook overbleef, die op de kaart blauw gerasterd gekleurd is.

Bovendien is aan de hand van de terreinwaarnemingen, de begrenzing der ruggen met een blauwe stippellijn aangegeven. Deze ruggen zijn opgebouwd uit zand en zavelige klei, terwijl ter plekke geen veen werd aangetroffen. Deze ruggen zijn de verlande stroomgeulen. In de lagere delen van het eiland was de situatie geheel anders. Na 1 meter klei werd daaronder steevast veen of zoals men op Walcheren zegt, derrie aangetroffen. Dit type veen komt overeen met het veenveld van Holland en Utrecht.

Het resultaat was, dat op de kaart van Vlam van Walcheren te zien is hoe achter de duinenrij grote veengebieden lagen met daarop die kleilaag, een gebied dat doorsneden werd door de (veenloze) geulen, die dichtgeslibd waren, eerst met zand en bij het ondieper worden met meer kleiige sedimenten. Het veen klinkte in de loop der eeuwen in en de geulen (veenloos) kwamen hoger te liggen dan het omringende land.

Volgens Vlam waren deze geulen reeds in de Romeinse tijd aanwezig (blz.39) en waren deze geulen in de Karolingische tijd (ca.850 stelt Vlam) al verland. Haar conclusie is dan ook dat de morfologie het overtuigend bewijs geeft dan Walcheren reeds vóór zijn bedijking één geheel uitmaakte en dat het op het tijdstip van inpoldering geen getijgeulen bezat

De vraag is echter of dat zo absoluut gesteld kan worden. Het zal gedeeltelijk wel zo zijn, het ontstaan van de kustwal zal het zeker bevorderd hebben, maar de Serooskerkse spring zal pas na 1134 zijn afgedamd en dat geldt evenzeer voor de dijk, die het stroomgebied bij Ipenoord afsloot. Kortom, tussen 850 n.Chr. en het aanwezig zijn van de ringdijk rond Walcheren liggen nog een aantal eeuwen.